Sinds de invoering van de Wet oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen in 2021 (Wet OHP Landbouw) is er meer bescherming gekomen voor boeren, tuinders, vissers en andere leveranciers binnen de voedselketen. De wet moet voorkomen dat grote afnemers hun onderhandelingsmacht inzetten ten nadele van kleinere leveranciers.
In deze blog gaan wij in op de belangrijkste aspecten van de Wet OHP Landbouw. We bespreken voor wie de regels gelden, welke praktijken als oneerlijk worden beschouwd en wat de gevolgen kunnen zijn van niet-naleving. Ook bespreken we de zaken waarin is gehandhaafd en wordt besproken welke wijzigingen op komst zijn.
Doel en regeling
De Wet OHP Landbouw versterkt de onderhandelingspositie van leveranciers van landbouw- en voedingsproducten tegenover hun sterkere afnemers. Denk aan boeren, tuinders en vissers tegenover grotere voedselproducenten of supermarkten. De wet vloeit voort uit een Europese richtlijn (EU) 2019/633 (minimumharmonisatie) en is in werking getreden op 1 november 2021.
Inhoud van de wet: zwarte en grijze lijst
De wet maakt onderscheid tussen twee soorten verboden handelspraktijken: praktijken die altijd verboden zijn (zwarte lijst, artikel 2 Wet OHP Landbouw), en praktijken die verboden zijn tenzij ze vooraf duidelijk en schriftelijk zijn afgesproken (grijze lijst, artikel 3 Wet OHP Landbouw).
(Altijd verboden) |
Te late betalingen: Afnemers moeten binnen 30 dagen betalen bij bederfelijke producten en binnen 60 dagen bij andere producten. Deze termijn geldt vanaf de levering of het einde van een afgesproken leveringsperiode. |
Last-minute annuleringen: Het is niet toegestaan om bestellingen van bederfelijke producten te annuleren op zo korte termijn dat de leverancier geen reële kans meer heeft om een andere bestemming voor de producten te vinden. Een termijn van minder dan 30 dagen voor levering wordt in ieder geval geacht te kort te zijn. |
Eenzijdige contractwijzigingen: Afnemers mogen niet op eigen initiatief, zonder instemming van de wederpartij, de voorwaarden aanpassen. Dit betreft bijvoorbeeld de levertijden, prijzen, betalingsafspraken of kwaliteitsnormen. |
Schriftelijke bevestiging weigeren: De afnemer is verplicht om op verzoek de afspraken schriftelijk te bevestigen. |
Onterechte betalingen vragen: De afnemer mag geen betalingen vragen die geen verband houden met de verkoop van de producten. Het is de afnemer ook niet toegestaan om een betaling te vragen voor bederf of verlies van al geleverde producten, of voor kosten verbonden aan het onderzoeken van klachten van klanten. |
Onrechtmatig omgaan met bedrijfsgeheimen: Het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of delen van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van de leverancier is verboden. |
(Dreigen met) vergeldingsacties: De afnemer mag de leverancier niet onder druk zetten of straffen voor het uitoefenen van zijn wettelijke of contractuele rechten, bijvoorbeeld door de producten uit de verkoop te halen of hoeveelheid bestelde producten te verlagen. |
Grijze lijst (Verboden tenzij helder en ondubbelzinnig schriftelijk overeengekomen) |
Retourneren van onverkochte producten: De afnemer mag onverkochte producten niet terugsturen zonder daarvoor te betalen of de verwijderingskosten te vergoeden. |
Kosten van voor schapruimte of opname in het assortiment: De afnemer mag de leverancier niet laten meebetalen voor opslag, schapruimte of opname in het assortiment. |
Doorberekenen van promotiekosten of kortingen: De afnemer mag kortingen of promotiekosten aan de leverancier doorberekenen, zonder dat de promotie en verwachte verkoop vooraf zijn vastgelegd. |
Kosten vragen voor reclame en marketing: De afnemer mag geen kosten in rekening brengen voor reclame of marketing. |
Bijdrage eisen voor winkelinrichting of personeel: De afnemer mag niet verlangen dat de leverancier personeelskosten betaalt voor de inrichting van de verkoopruimte waar de producten worden verkocht. |
Toepassingsgebied: voor wie geldt de wet?
De Wet OHP Landbouw geldt voor situaties waarin sprake is van een onevenwichtige onderhandelingsrelatie tussen leveranciers en afnemers van landbouw- en voedingsproducten. De wet is van toepassing wanneer de omzet van de afnemer sterk verschilt van de omzet van de landbouwleverancier:
| Leverancier met omzet van: | Heeft bescherming tegen een afnemer met een omzet van: |
A | Minder dan € 2 miljoen | Meer dan € 2 miljoen |
B | Tussen de € 2 miljoen en € 10 miljoen | Meer dan € 10 miljoen |
C | Tussen de € 10 miljoen en € 50 miljoen | Meer dan € 50 miljoen |
D | Tussen de € 50 miljoen en € 150 miljoen | Meer dan € 150 miljoen |
E | Tussen de € 150 miljoen en € 350 miljoen | Meer dan € 350 miljoen |
F | Minder dan € 350 miljoen | Afnemer is een overheidsinstantie |
Toezicht en handhaving door ACM
De ACM houdt toezicht op naleving van de wet en kan o.a. de volgende maatregelen nemen:
- Een onderzoek starten, uit eigen beweging of naar aanleiding van een klacht;
- Informatie opvragen bij marktpartijen;
- Onaangekondigde inspecties uitvoeren;
- Bij overtreding kan een boete of last onder dwangsom opleggen. De boete is maximaal € 900,000 of, als dat meer is, 10% van de jaarlijkse groepsomzet.
Geschillenbeslechtiging bij Geschillencommissie
Daarnaast is er de mogelijkheid tot geschillenbeslechting bij de Geschillencommissie Oneerlijke Handelspraktijken in de landbouw- en voedselketen. Hier kunnen leveranciers een bindende uitspraak verkrijgen over de vraag of een handelspraktijk onrechtmatig is, schadevergoeding vorderen en een betalingsverplichting laten vaststellen. Ook afnemers kunnen naar de Geschillencommissie stappen als zij een geschil hebben met hun leverancier en dit graag opgelost zien.
Het indienen van een klacht kan ook anoniem. Hoewel de uitspraak dan niet bindend zal worden, levert het een oplossing voor leveranciers die niet durven op te treden tegen oneerlijke handelspraktijken, uit angst voor vergeldingsmaatregelen.
Leveranciers kunnen er altijd voor kiezen om naar de civiele rechter te stappen, zowel direct zonder naar de Geschillencommissie te gaan, maar ook nog binnen drie maanden na het verkrijgen van een uitspraak van de Geschillencommissie.
Handhaving in de praktijk
De ACM en de Geschillencommissie hebben sinds 2021 enkele zaken behandeld die duidelijkheid geven over de toepassing van de Wet OHP Landbouw:
ACM: Vion doet toezeggingen na leveranciersklacht over prijsaanpassingen
De eerste handhavingszaak van de ACM onder de Wet OHP Landbouw betrof slachterij Vion. Na klachten van de Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV) startte de ACM in 2022 een onderzoek naar mogelijke eenzijdige aanpassingen van leveringsvoorwaarden.
Vion werkte o.a. met exclusieve contracten waarbij de varkensprijs werd bepaald via een mandje van Nederlandse en Europese prijsnoteringen en een nabetalingssysteem op basis van de Vion-notering (het PIG-systeem). Bij verstoringen of niet-reguliere ontwikkelingen, kon Vion (eenzijdig?) een notering buiten beschouwing laten of het hele PIG-systeem buiten werking stellen. Deze contracten werden gesloten voor onbepaalde tijd en hadden een opzegtermijn van 12 maanden.
De ACM vond dat Vion te veel vrijheid had om de prijsindicatoren aan te passen en zo feitelijk zelf de prijs te bepalen, en achtte dit strijdig met het verbod op eenzijdige wijzigingen van de voorwaarden (artikel 2 lid 1 sub c Wet OHP Landbouw).
Om de overtreding te herstellen, deed Vion bindende toezeggingen. Vion zal voortaan alleen nog wijzigingen doorvoeren met instemming van de varkensleverancier en nieuwe contracten sluiten die duidelijk omschreven prijssystemen bevatten. Daarmee lijken de klachten van de POV grotendeels opgelost. De zaak werd in maart 2024 afgerond.
ACM dwingt Lactalis Leerdammer tot wijziging van het prijssysteem
De ACM-zaak tegen Lactalis Leerdammer begon in 2022 met een klacht van de Leveranciersvereniging Leerdammer Collectief (LVLC). De leveranciersvereniging klaagde dat Lactalis in strijd met de wet (artikel 2 lid 1 sub c) handelde door de melkprijs maandelijks vast te stellen. Daarnaast stelde LVLC dat Lactalis leveranciers liet betalen voor activiteiten die geen verband hielden met de melkverkoop, door via de melkgeldnota contributie in rekening te brengen voor branchevereniging ZuivelNL (zie hieronder).
De ACM concludeerde in september 2024 dat Lactalis door maandelijks de prijs vast te stellen, het verbod op eenzijdige wijziging van leveringsvoorwaarden had overtreden. De klacht over het verbod om betalingen te verlangen die geen verband houden met de melkverkoop, werd afgewezen.
Lactalis moest een transparant en objectief (controleerbaar) systeem voor vaststelling van de prijs invoeren. Lactalis is in beroep gegaan van deze beslissing. Ook de LVLC is in beroep gegaan. De zaak is per datum publicatie van deze blog nog aanhangig.
ACM accepteert toezeggingen over ZuivelNL-heffingen
Dezelfde leveranciersvereniging LVLC diende een klacht in bij de ACM over de financiering van ZuivelNL middels de heffing van contributie bij melkleveranciers via de afnemers. Gesteld werd dat deze heffingen in strijd waren met het verbod voor afnemers om vergoedingen te vragen die geen verband houden met de verkoop van de landbouwproducten (artikel 2 lid 1 sub d Wet OHP Landbouw).
De ACM heeft gesprekken gevoerd met ZuivelNL, wat in oktober 2024 heeft geleid tot toezeggingen (zie toezeggingsbesluit). ZuivelNL heeft zich ertoe verbonden meer transparantie te bieden over de besteding van contributies, deze uitsluitend in te zetten voor activiteiten die verband houden met de melkproductie en in het belang zijn van melkveehouders, en hierover periodiek te rapporteren en controle te laten uitvoeren. Ook zal de hoogte van de contributie periodiek worden herzien en de ACM jaarlijks worden geïnformeerd over de naleving. Op basis van deze toezeggingen achtte de ACM verdere handhaving niet prioritair en is dit onderdeel van de klacht afgewezen.
Geschillencommissie: Vreugdenhil moet melkprijsbepaling en opzegtermijn aanpassen
De Geschillencommissie Oneerlijke Handelspraktijken in de landbouw- en voedselketen behandelde een klacht van een melkleverancier tegen zijn afnemer, Vreugdenhil. Vreugdenhil zou het verbod op eenzijdige wijziging van leveringsvoorwaarden hebben overtreden omdat Vreugdenhil de melkprijs maandelijks eenzijdig bepaalde.
De Geschillencommissie stelde de melkleverancier in het gelijk: het achtte de maandelijkse melkprijs niet transparant, begrijpelijk en controleerbaar terwijl leveranciers gebonden waren aan een lange opzegtermijn. Vreugdenhil moest de prijs transparanter maken en de opzegtermijn verkorten van twaalf naar zes maanden.
In de einduitspraak heeft de Geschillencommissie in juni 2024 beoordeeld of Vreugdenhil met de voorgestelde aanpassingen, een benchmarkmodel, voldoende tegemoet is gekomen aan de opdracht om de prijs transparanter te maken. Dat bleek niet het geval; het model geeft het volgens de Geschillencommissie nog steeds onvoldoende concreet inzicht in de onderliggende factoren en rekenregels. Voor leveranciers blijft daarmee onduidelijk hoe de maandelijkse prijs precies tot stand komt.
De Geschillencommissie concludeert dan ook dat de bezwaren niet zijn weggenomen. Vreugdenhil moet de inkoopvoorwaarden alsnog zodanig aanpassen dat de prijsbepaling wél transparant, begrijpelijk en controleerbaar is. De Geschillencommissie geeft mee dat het nieuwe prijsmechanisme idealiter in samenspraak met de leverancier tot stand komt.
ACM: Opzegging leveringsovereenkomst geen eenzijdige wijziging of vergeldingsmaatregel
In mei 2025 klaagde een melkveehouder bij de ACM dat zijn afnemer de Wet OHP Landbouw had overtreden door de leveringsovereenkomst op te zeggen. Volgens de veehouder kwam deze opzegging neer op een verboden eenzijdige wijziging van de leveringsvoorwaarden (artikel 2 lid 1 sub c Wet OHP Landbouw) en een verboden vergeldingsmaatregel (artikel 2 lid 1 sub h Wet OHP Landbouw).
De ACM oordeelt echter anders. De opzegging vond plaats in overeenstemming met de contractuele bepalingen en met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Daarmee is geen sprake van een eenzijdige wijziging van de overeenkomst. Daarnaast ziet de ACM onvoldoende aanwijzingen dat de beëindiging bedoeld was als vergeldingsmaatregel. De opzegging hield volgens de ACM verband met een inhoudelijk geschil over een nieuw prijssysteem, en er is niet gebleken dat de leverancier anders werd behandeld dan andere leveranciers in een vergelijkbare positie.
Omdat geen overtreding van de Wet OHP Landbouw is vastgesteld, heeft de ACM in juli 2025 het handhavingsverzoek afgewezen.
Geschillencommissie: opzegging melkcontract als drukmiddel deels onrechtmatig
De Geschillencommissie oordeelde op 9 januari 2026 over een geschil tussen een melkleverancier en zijn afnemer. Centraal stond de vraag of de afnemer onrechtmatig had gehandeld door een nieuw contract voor te stellen en het bestaande contract vervolgens op te zeggen.
De afnemer bood een nieuw contract aan met gewijzigde prijs- en praktijkvoorwaarden, waarbij de leverancier slechts veertien dagen kreeg om te tekenen. Daarbij werd duidelijk gemaakt dat weigering tot opzegging van het bestaande contract zou leiden. Na weigering is het contract inderdaad opgezegd, met inachtneming van de contractuele opzegtermijn.
De commissie kwalificeert deze handelwijze als ongeoorloofde druk. Hoewel de afnemer bevoegd was om op te zeggen, is die bevoegdheid gebruikt als pressiemiddel om instemming met nieuwe voorwaarden af te dwingen. Daarbij woog mee dat geen reële onderhandelingsruimte werd geboden: een verzoek tot overleg werd afgewezen en ook had voorafgaand geen inhoudelijk overleg met een klankbordgroep plaatsgevonden. De leverancier werd daarmee feitelijk voor een “slikken of stikken”-keuze gesteld. Dat levert een verboden handelspraktijk op onder de Wet OHP, mede omdat er geen reële onderhandelingsruimte werd geboden.
De uitspraak maakt duidelijk dat een contractuele opzeggingsbevoegdheid niet onbeperkt kan worden ingezet: gebruik als drukmiddel kan onrechtmatig zijn.
Evaluatie en vooruitblik
De Wet OHP Landbouw staat niet stil. Uit de eerste evaluatie in opdracht van het ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur blijkt dat de wet inmiddels zichtbaar begint door te werken in de praktijk. Zo signaleren de onderzoekers dat afnemers contracten aanpassen en dat er meer aandacht is voor transparantie, met name rond prijsvorming. Tegelijkertijd blijft het aantal formele klachten vooralsnog beperkt. Volgens de onderzoekers komt dit doordat leveranciers terughoudendheid zijn om een klacht in te dienen, bijvoorbeeld vanwege hun afhankelijkheid van afnemers en de vrees voor negatieve gevolgen voor de commerciële relatie.
Ook op Europees niveau wordt het kader geëvalueerd. De (lopende) evaluatie van Richtlijn 2019/633 laat zien dat de richtlijn bijdraagt aan rechtszekerheid, maar dat de machtsbalans in de keten nog maar beperkt verschoven is. In dit licht werkt de Europese Commissie aan een herziening, waarbij onder meer wordt gedacht aan uitbreiding van verboden praktijken (zoals een verbod om onder de productiekosten te verkopen), het wegnemen van de angstfactor bij leveranciers, en verbetering van samenwerking tussen de EU-lidstaten om effectiever te kunnen optreden tegen grensoverschrijdende handelspraktijken.
In datzelfde kader wordt gekeken de rol van de GMO-verordening. Een recent voorstel tot wijziging van GMO-Verordening 1308/2013 zet in op verplichte schriftelijke contracten met duidelijke prijs- of prijsbepalende factoren.
Voor ondernemingen betekent dit dat aanscherping van het wettelijk kader alsmede de handhaving hierop te verwachten is. Het is van belang voor ondernemingen om hier nu al tijdig op te anticiperen. Zeker omdat de onderhandelingen vaak lang duren en intensief kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer zuivelondernemingen met grotere groepen leveranciers of klankbordgroepen onderhandelen.
Conclusie
De Wet OHP Landbouw is geen papieren tijger; de eerste zaken laten zien dat de ACM en Geschillencommissie actief ingrijpen en duidelijke eisen stellen aan onder meer prijsvorming, contractwijzigingen en betalingsvoorwaarden. Voor zowel leveranciers als afnemers is het daarom essentieel om te toetsen of hun huidige werkwijze al in overeenstemming is gebracht met de wet.
Wij adviseren ondernemingen in de hele keten over de Wet OHP Landbouw. Denk aan het toetsen en aanpassen van contracten en algemene voorwaarden, strategisch advies bij commerciële onderhandelingen en het begeleiden van klachten en procedures bij de ACM en de Geschillencommissie. Daarbij beschikken wij over concrete ervaring met handhavingstrajecten onder de Wet OHP Landbouw, waaronder betrokkenheid bij enkele van de eerste en meest richtinggevende zaken zoals onder meer deze zaak, deze zaak en deze zaak. Die ervaring stelt ons in staat om snel te doorgronden hoe de ACM en de Geschillencommissie in de praktijk toetsen en handhaven, en wat dat betekent voor uw positie.
Vragen over de Wet OHP Landbouw? Wij helpen u graag.